In teken van hoop

Actueel

Herdenking omgekomen vluchtelingen aan EU-grenzen

Donderdag 3 november 2016.

 

Een herdenking van doden, niet op twee maar op drie november. Er worden geen bekenden, vrienden of familie herdacht. De gedachten gaan uit naar de vele slachtoffers van het asielbeleid in Europa.
Een blauwe doek op de grond, verbeeldend de Middellandse Zee waar zoveel mensen, op zoek naar een betere toekomst, zijn verdronken. Een kaars brand in het midden, daarom heen ligt een bloemenkrans. De mensen, gevlucht van waar dan ook, met de hoop op een nieuw leven, mogen niet vergeten worden. Deze gedachte wordt gedeeld door de mensen die naar de herdenking zijn gekomen.
Er wordt gezongen en gebeden. De feiten worden op een rijtje gezet.
Vanaf 2005 wordt op initiatief van het HOV (Humaan Omgaan met Vluchtelingen) in samenwerking met Vluchtelingen in de Knel een herdenking gehouden. Het begon met het herdenken van de mensen die omgekomen zijn bij de brand in het detentiecentrum Schiphol Oost. Door de jaren heen zijn de grenzen verlegd naar de slachtoffers van het Europese asielbeleid. Naar mensen die dagelijks nog sterven op de Middellandse Zee, of aan de oostgrens van Europa.
In 2014 en 2015 waren er meer dan 3.000 duizend doden te betreuren en dit jaar tot nu toe minstens 3.740. Het dodelijkste jaar ooit, aldus het UNHCR.
De vraag klinkt of wij nog kunnen huilen bij het zien van zoveel doden? Worden wij nog geraakt door het ervaren van zoveel onrecht, of roept alleen het beeld van een verdronken peuter onze verontwaardiging op?

 

monument voor omgekomen vluchtelingen

 

Een van ons houdt een overweging:

Afgelopen week was er in het verpleeghuis waar ik werk de jaarlijkse herdenking van de overleden bewoners van het huis. Er is altijd veel familie. Het is een emotionele bijeenkomst, er wordt gehuild. Namen worden genoemd, kaarsen aangestoken.
Vanavond zijn wíj hier de familie van al die vluchtelingen die de dood vonden. Vaak anoniem gebleven, naamloos gestorven, zonder graf, zonder steen. Zonder aandacht.
Kunnen wij erom huilen? Kunnen wij huilen om de beelden die we voorbij zien komen in het nieuws op tv, foto’s in de krant. Kunnen wij huilen om de mensen, opeengepropt als haringen in een ton, op een bootje, waar we met 4 nog niet op zouden durven. Laten wij ons nog raken door de beelden van zovele vluchtelingenkampen waar mensen vastzitten, geen kant op kunnen. Huilen wij als mensen dwars door de bergen, kou en honger trotseren en omkomen. Huilen wij nog als mensen stikken in vrachtwagens, gelokt door mensen die rijk worden door te profiteren van het leed van anderen.

Maar we kennen ze niet deze mensen, ze zijn geen deel van ons leven. Het zijn mensen zonder naam, ze zijn niemand, ze hebben geen gezicht. Ze mochten er niet zijn en ze zijn er niet meer. We huilen niet en laten ons niet raken.
Ja, af en toe maken wij ons druk als een foto van een klein jongetje, een peuter nog, op ons netvlies blijft hangen. Aylan heette hij. Aangespoeld op een strand. Dat ene gezichtje van die velen die op de vlucht zijn en naar ons toe komen, dat maakt blijkbaar het verschil. We willen wat doen, we komen in actie.
En dan gaat het leven weer zijn gangetje, de zorgen van alledag nemen ons in beslag en het gezicht van het jongetje vervaagt.
Kunnen wij nog huilen?

Red mij. O Heer, want het water is mij tot mijn lippen gestegen. Ik zink de diepte in zonder houvast. In diep water drijf ik en golven spoelen over mij heen. Uitgeput ben ik van het roepen, mijn keel is schor. Mijn ogen vermoeid door het uitzien naar mijn God.

Mijn ome Jan was 20 toen hij als jonge man in 1953 tegen zijn moeder zei: ma, ik wil wat doen, ik kan niet lijdzaam toezien hoe mensen verdrinken hier vlakbij. Ga maar, zei zijn moeder en hij ging. Hij voer met zijn bootje en redde mensen, bij wie het water letterlijk tot de lippen gestegen was. Hij stak zijn handen uit en greep handen. Daarna was hij voor altijd een andere Jan. Jan liet zich raken door mensen in nood en hielp waar hij kon. Jan kon huilen.

Mensen in nood, vluchtelingen, ze zijn overal om ons heen en we zien ze niet. We kijken niet, we horen niet en ze krijgen geen gezicht. Maar God kiest voor deze vluchteling, deze kwetsbare mens. Deze mensen die het water tot de lippen gestegen is. Die net als wij, hun dromen hebben over het leven, die wensen hebben voor hun kinderen, die graag in vrede willen leven met de mensen om hen heen. Mensen zoals wij, toevallig geboren op een plek waar oorlog is, waar het land zo verdord is dat de honger hen doet vluchten, waar de aarde beefde en hele dorpen wegvaagde, waar het beekje een woeste stroom werd die mensen en huizen met zich meespoelde. Mensen op drift, niet omdat ze dat zo graag willen maar omdat de wil om te leven daartoe dwingt. Niemand verlaat zijn huis tenzij dat huis zegt: ga weg, overal veiliger dan hier.
God is begaan met deze vluchteling, hij werd er zelf één.
Red mij. O Heer, want het water is mij tot mijn lippen gestegen. Ik zink de diepte in zonder houvast.

Durven wij nog te beweren dat het ons niet aangaat, dat we het niet aankunnen al die mensen hier, dat er geen plek is. Durven wij met droge ogen te beweren dat onze manier van leven, onze zucht naar meer en meer, daar niets mee te maken heeft? Laat ons toch huilen om zoveel zelfbedrog.

Laat ons toch huilen zodat onze tranen zich vermengen met de tranen van hen die naar ons toekomen, die de moed in de schoenen is gezonken, die uitgeput zijn en ten einde raad, het water tot de lippen gestegen; die niet veel vragen, slechts een menswaardig bestaan.
Laat ons huilen tot onze tranen één zijn, een zilte zee. En laat er dan een weg ontstaan midden in die zee, zoals toen. Laat er dan ook een open doortocht zijn, een overtocht zonder gevaar, met een overkant waar het veilig is en waar we de ander, die mens is zoals wij, met open armen ontvangen.

 

Zingen:
Voor mensen die naamloos
kwetsbaar en weerloos
door het leven gaan,
ontwaakt hier nieuw leven,
wordt kracht gegeven:
zij krijgen een naam.

monument voor omgekomen vluchtelingen


Voor de aanwezigen naar buiten gaan, wordt het lied Kumbaya gezongen. De teksten tussendoor worden gelezen.

krans

“Ergens schreeuwt iemand,
Er is iemand in opstand gekomen
Er is iemand die het uitschreeuwt
Uit liefde en uit woede tegen de stroom in
Ergens schreeuwt iemand
Tegen het doden het martelen het kwetsen
Tegen alles waarmee wij elkaar kruisigen
Ergens schreeuwt iemand
Kumbaya.”

 

Bij het kleine monument worden bloemen en de krans gelegd.
Onder het zingen van het lied ”Als alles duister is, ontsteek dan een lichtend vuur” gaan we naar binnen.
Daar is koffie en wordt er na gepraat.
Dat er steeds meer mensen mogen komen, die tegen de stroom in gaan en een lichtend voorbeeld zijn.

 

De herdenking heeft plaats gevonden onder verantwoordelijkheid van het HOV (het netwerk voor Humaan Omgaan met Vluchtelingen) tel. 040 25 25 609 , www.humaanomgaanmetvluchtelingen.nl